20160802_104005Ik ben aangekomen in het mooie Karakol aan het meest oostelijke puntje van Yssyk-Kul. Karakol, (ook wel Przhevalsk genoemd naar de bekende Russische ontdekker die ons de dwergpaarden heeft gebracht.) is een tamelijk troosteloze stad dat wordt opgevrolijkt door de imposante witte pieken van het Tian-Shan gebergte. De stad is een uitvalsbasis voor de vele (voor Kirgizische begrippen) toeristen die wandelingen of trektochten willen doen in de achterliggende bergen. Karakol bezit dan ook verscheidene hostels, tour operators en verhuurders van kampeer en trek spullen. Ze hebben hier zelfs een heuse tourist office inclusief engels sprekend personeel (eigenlijk spreekt iedereen hier wel een woord of drie engels.) Je kan hier dan ook niet over straat zonder een aantal ander toeristen tegen te komen.

Zelfs zit ik in het Nice hostel, een vrij nieuw hostel met een nogal fantasieloze naam. Toegegeven, het is hier ook allerbest wel nice. De plek wordt bestierd door Trevor: een 48 jarige Brit (Hij heeft nog het meeste weg van een verwilderde Doctor House) die al zo’n beetje de hele wereld gezien heeft en nu als vrijwilliger het hostel beheert om een jaar van z’n rust te genieten. De beste man heeft genoeg verhalen om een aantal 20160802_134308dagen te vullen, maar ik heb andere plannen. De volgende dag zou ik, samen met de drie Israeli’s die ik op het vliegveld van Istanbul tegenkwam zouden we een drie daagse wandeltocht maken door de Karakolvallei, en klim naar het gletsjermeer van Ala-Köl en vandaar naar de bronnen van Altyn-Arashan.

We zouden de volgende dag vroeg opstaan (Half zeven) om de bus te pakken die ons af zou zetten bij het begin van de Karakol-vallei. Vandaar liep de weg ligt stijgend langs een bulderende rivier omhoog. Het landschap was indrukwekkend, de hele vallei is bezaaid met ranke dennenbomen groene weiden waar paarden grazen, een kristalheldere rivier die op fotogenieke wijze door het landschap slingert en het geheel omgeven door een stel rotsachtige bergen. Met name de Israëli’s waren erg onder de indruk van al dit groene vertoon. Gilad (één der Israëli’s) merkte op dat zoveel groen in Israel niet voorkwam. Zelfs de rivier de Jordaan was niet groter dan dit stroompje. Tja dat krijg je er van als je meer dan driekwart van het water voor irrigatie gebruikt, vroeger kon je gewoon bootje varen op de Jordaan. Al snel kwam ik erachter dat de Israëli’s wel van wanten wisten, 20160803_105800ze waren immers alle drie net verlost (zo zagen zij het ook) van hun 2 a 3 jarige militaire dienst (respectievelijk 3 jaar voor mannen, 2 voor vrouwen) en hadden dus wel de nodige ervaring met marcheren met volle bepakking. Ik helaas wat minder. Het tempo zat er dus goed in waardoor de fotomomentjes wat schaars waren. Na zo’n 5 uur door de vallei te hebben gelopen kwamen we aan bij de eerste kampeerplaats aan de rivier, vlak voor de klim naar het meer van Ala-Köl. Helaas was er een parkwachter aanwezig die iedereen controleerde op parkentreetickets en camping permits dus besloten we om verder te gaan. Supergierige combo van Nederlander en Joden die we waren, vonden we dat we die twee euro voor een permit makkelijk konden besparen door een campingplek verderop te pakken zonder parkwachter. En zo geschiede het. Dus staken we de rivier over, verdwaalden meteen (karma) en vonden even later het pad weer terug waardoor de klim kon beginnen. Al snel bleek dat onze beslissing in meer dan alleen gierige opzichten gunstig uitpakte. De volgende kampplaats lag namelijk halverwege de zware 1200 meter klim naar het meer van Ala-Köl wat de volgende dagtocht een stuk dragelijker 20160803_110034zou maken.

Tegen het late middaguur kwamen we aardig uitgeput aan bij een houten hutje waar al verschillende wandelaars hun kampement hadden opgeslagen. Na enig reparatiewerk hadden ook wij onze tenten opgezet in het bos en konden we aan het vuur en eten beginnen. Mijn keuze voor reisgenoten bleek uitmuntend want tussen hun drie jaar leger ervaring en tijd bij de Israëlische scouting hadden ze het kampvuur al lang gaande eer ik terug was met het brandhout. Niet veel later hadden we een maaltijd van linzen, tomatensaus en rijst klaargestoomd om weer op krachten te komen. Na een tijdje verhalen te hebben uitgewisseld rond het kampvuur was het tijd om het nest op te zoeken, morgen weer een lange dag. Wel ben ik s’nachts nog even de tent uitgekropen om naar de waanzinnig mooie sterrenhemel te kijken. Lichtvervuiling kennen ze in Kirgistan niet.

De volgende dag stonden we weer vroeg op en konden we beginnen aan het zwaarste deel van de klim: Het meer van Ala-Köl. De weg naar het meer was een uitdagende klim van zo’n 500 meter over losliggende rotsen en verraderlijke gravelpaden die steil omhoogliepen. Anders dan in Europa worden de wandelpaden in Kirgistan niet 20160803_121529of nauwelijks onderhouden. Maar eenmaal buiten adem bovenaan gekomen werden we getrakteerd op het mooie uitzicht over het spiegelblauwe gletsjermeer met daarachter de ooit imposante gletsjer. Maar met het op 3200 meter gelegen meer waren we er nog niet, om in het dal van Altyn-Arashan te komen moesten we eerst nog het laatste obstakel: een richel van 3800m bezweren over een pad dat één en al maanlandschap was. Inmiddels begon de hoogte ook z’n tol te eisen. Nu heb ik wel vaker op deze hoogten gestaan, maar meestal bereikte ik deze per skilift om een minuut later de daling per lange latten in te zetten, waardoor je niks van de hoogte meekrijgt. Dat is wel even anders als je die hoogtes moet beklimmen terwijl je overal naar houvast voor je voeten moet zoeken. Dus op karakter al hijgend naar boven, diep respect voor die idioten die boven 4000 meter klimmen. Uiteindelijk had ik als tweede de klim beslecht en had ik genoeg tijd om een paar prachtige plaatsjes te schieten.

Maar wie denkt dat je met de klim het zwaarste deel erop heeft zitten kan de plank goed misslaan. Bovendien hebben zware klimtochten de vervelende eigenschap je te herinneren 20160803_125629aan oude blessures die je al lang vergeten was. Zo werd ik herinnerd aan een fietsongelukje (ja alcohol was in het spel) van een jaar geleden waarna ik twee weken aardig mank heb gelopen. Nu weet ik van m’n vader (ook een persoon met zwakke knieën) dat problematische knieën een steile afdaling niet leuk vinden. Laat dat nou net zijn wat we voor ons hadden liggen. De afdaling in het achterliggende dal was ongeveer even steil als een zwarte piste en bestond volledig uit losliggend gesteente waardoor je bij elke stap meteen doorgleed. De meest effectieve manier om af te dalen was om het hele gevaarte te zien als een natuurlijke roltrap en jezelf, een beetje sturend met je evenwicht, naar beneden te laten glijden. Ikzelf vond het wel vermakelijk, maar m’n knie allerminst, en wat begon als een niet alarmerend zeurend pijntje werd al snel een serieuze handicap. De rest van de 6 kilometer lange afdaling zou een eitje wezen warend het niet dat ik inmiddels al zo mank als Quasimodo liep. Inmiddels was het ook begonnen met regenen waardoor de anders makkelijk bewandelbare paden en weides veranderden in gigantische modderpoelen. Een wandelstok bracht de nodige verlichting waardoor ik DSC00244de wandeling al hobbelend kon doorzetten, ik moest toch op een manier beneden zien te komen. Eenmaal bijna beneden werden we ook nog aangevallen door een bende schattige kinderen die bij het zicht van ons armetierige clubje wandelaars al rennend hun tentje in de rimboe verlieten om van ons snoepgoed, geld en andersoortige prullaria te eisen. Toen wij geen snoep bleken te hebben namen ze blijkbaar ook genoeg aan mijn laatste redding: de wandelstok. In Kirgistan hoef je niet erg op je houden te zijn voor dieven, maar de kinderen zouden nog een wandelstok van een kreupele stelen. Ik moest m’n stok beschermen tegen drie kinderen die met hun volle gewicht aanhingen (aangezien ze ongeveer 4 a 5 jaar oud waren was dat niet zo’n probleem.) terwijl twee andere aasden op andere prullaria om te ontvreemden. Eenmaal verlost probeerden we aan de kwade wezens te ontsnappen terwijl ze op meelijwekkende wijze aan onze benen bleven hangen. Misschien hou ik toch niet zo veel van kinderen…. Uiteindelijk wisten we ontsnappen en konden we het laatste stukje lopen naar Altyn-Arashan.

Altyn Arashan is een dorpje dat ik de zomermaanden volledig bestaat uit berghutten en yurts voor de opvang van bergbeklimmers en DSC00249buiten het seizoen terug keert naar het herdersbestaan. We verbleven in de berghut van Yaktours, gerund door een minimaal 80-jarige Valentin die onafgebroken rondliep in een oude versleten trui, laarzen en een bodywarmer. We konden ons volproppen met thee brood en jam en s’avonds kregen we avondeten. Ook hebben we ons nog even laten verwennen met een zeer verdiend bad in de hete bronnen.

De volgende ochtend besloot ik dat de tocht vervolgen gekkenwerk was met m’n knie. We moesten nog zo’n 5 uur lopen en 600 meter dalen. Los van of het uberhaupt mogelijk was zou het de boel alleen maar verergeren. Dus nam ik mijn afscheid van m’n reisgenoten, die vroeg in de ochtend vertrokken, en kon ik rustig genieten van het ontbijt. Daarna was het zoeken gebleven naar een ‘taxi’ ritje naar beneden. Al snel had ik een stel parkrangers in een oude UAZ-469 (lees sovjetjeep) gevonden de me wel naar beneden wilden brengen, tegen fikse vergoeding natuurlijk. Dus was het zoeken geblazen naar medereizigers om de kosten te delen. Al snel had ik een pool gevonden met een pijnlijke knie en een Filipijn die de dag ervoor zo verdwaald was geraakt dat hij het nu DSC00253wel welletjes vond en dus konden vetrekken. Al snel bleek dat het jeepritje een avontuur op zich was want de weg was alles behalve soepel. De oude grap is dat sovjet jeeps de beste ter wereld zijn zodat ze verschrikkelijke wegen moesten bouwen om ze te testen. De weg was alles behalve vlak en was bezaaid met rotsen, plassen en modderpoelen zodat wij de wonderen der Sovjet-engineering konden aanschouwen. Al was de trouwe UAZ misschien meer dan 40 jaar oud, met deuren die vanzelf opengingen als de auto scheef ging, ruitenwissers die al lang niet meer werkten en een onophoudelijk penetrante lucht van diesel en olie, geen obstakel werd het werkbeest te veel. En zo gingen we al ploeterend en brullend naar beneden met een snelheid die dat van een wandelaar nauwelijks overtrof. Toch haalden we, bijna beneden, mijn reisgenoten in waardoor ik ze met een dikke grijns op m’n gezicht uit kon zwaaien. De UAZ had z’n onverwoestbare status wederom bewezen.

De rest van de reis verliep soepel, en tegen het middag uur was ik weer terug bij het hostel. Al met al een behoorlijk avontuurtje, met wat nare bijwerkingen. Komende dagen maar wat rustiger aan DSC00262doen..

Leave comment

Your email address will not be published. Required fields are marked with *.